• home
  • video
  • pas verschenen

    Wat is watt? Een masterclass van coach Paul Van Den Bosch

    " "

    Voor sprinters is het piekvermogen belangrijk.

    In de wieleruitzendingen wordt steeds meer gegoocheld met cijfers: gemiddeld vermogen, piekvermogen, wattages. Maar wat is watt? Wij belden met topsportcoach Paul Van Den Bosch van Energy Lab, die onder meer De Gendt, Greipel en Wellens traint, voor een woordje uitleg. De korte samenvatting van Maarten Vangramberen krijg je er hieronder gratis bij.

    Wat is watt?

    Watt is een eenheid die aangeeft welk vermogen een renner ontwikkelt tijdens een inspanning. Het vermogen is arbeid per seconde. Om een bepaald tempo te ontwikkelen moet een renner een vermogen, een arbeid leveren. Die arbeid wordt uitgedrukt in watt. Het door een renner ontwikkelde wattage kunnen we bekijken in absolute waarde of in relatieve waarde. De relatieve waarde is de hoeveelheid wattage die renners duwen per kilogram lichaamsgewicht.

     

    Wat is nu het verschil tussen die 2? Het absolute vermogen is voor iedereen hetzelfde. Je hoort bijvoorbeeld het cijfer dat renners gedurende Gent-Wevelgem 320 tot 350 watt hebben gereden over heel de wedstrijd, afhankelijk van de renner. Dat zijn zeer hoge vermogens.

     

    Op het vlakke terrein speelt het eigenlijk weinig rol of een renner zwaar of licht weegt. Het vermogen dat ontwikkeld wordt, is dan voor iedereen even belangrijk. Als het daarentegen bergop gaat, dan krijgen  we een ander verhaal. Hoe hoger je gewicht, des te moeilijker het dan wordt: dan gaat het vermogen dat kan ontwikkeld worden per kilogram lichaamsgewicht heel belangrijk zijn.

     

    Als je bijvoorbeeld een renner hebt van 70 kg die gedurende een bepaalde tijdsduur 420 watt kan ontwikkelen, dan gaat hij bergop 6 watt per kilogram kunnen ontwikkelen. Heb je een renner van 60 kg, dan gaat die 7 watt/kg ontwikkelen. Dat wil dus zeggen dat deze laatste  relatief gezien een veel hoger vermogen kan duwen als hij bergop fietst.

    " "

    Paul Van Den Bosch werkt als topsportcoach dag in dag uit met wielrenners.

    Alexander Kristoff in Gent-Wevelgem vorige zondag is een goed voorbeeld: de Noor nam in de finale voorsprong voor hij aan de Kemmelberg moest beginnen, omdat hij veel zwaarder is dan heel wat andere renners en hij het dus moeilijker heeft om een even hoog relatief vermogen (watt/kg) te ontwikkelen.


    Hij kan bergop dus niet dezelfde relatieve vermogens duwen als de lichtere renners, waardoor die zonder voorsprong op de Kemmelberg zou moeten lossen van de lichtere renners. Daarom anticipeert hij. Hij gaat voorop rijden, duwt een lager vermogen in watt/kg, rijdt trager de Kemmelberg op, maar zal met de hoofdmacht bovenkomen. Na de Kemmelberg was het nog 35 km vlak. Op vlakke wegen zal een zwaarder gespierde renner een hoger vermogen kunnen duwen, zeker in de sprint.

    " "

    Alexander Kristoff anticipeert op de Kemmelberg in Gent-Wevelgem.

    Wat is het verschil tussen gemiddeld vermogen en piekvermogen?

    Wij zien dat heel wat topsprinters eigenlijk vrij zware renners zijn: kijk naar Kristoff, Greipel, Kittel. Zodra je sprint, komt het erop neer hoeveel piekvermogen je kan ontwikkelen. En we zien heel dikwijls dat die zwaar gespierde renners meer piekvermogen kunnen ontwikkelen dan de pocketrenners. Hoewel we vandaag ook zien dat er ook heel lichte sprinters zijn.

     

    Ik denk aan Caleb Ewan, de topsprinter van Lotto-Soudal. Die weegt veel minder dan die namen, maar is heel explosief en haalt heel veel van zijn sprintsnelheid uit zijn ongelooflijk aerodynamische houding. Hij hangt met zijn neus zowat over zijn stuur.

     

    In de sprint zijn de piekvermogens het belangrijkste. Een piekvermogen is het vermogen dat over 1 seconde kan geduwd worden. Bij sprinters ga je ook kijken naar het piekvermogen over 5 seconden, omdat 5 à 10 seconden bepalend zijn in de sprint. Die piekvermogens worden dus op zeer korte tijdsduur ontwikkeld.

     

    Daartegenover heb je de gemiddelde vermogens. Die worden over heel de wedstrijd geduwd.  Dat is natuurlijk een heel groot verschil. Bijvoorbeeld: je hebt sprinters die in een vlakke rit in de Tour een gemiddeld vermogen halen van 270 à 280 Watt. In de sprint halen die heel gespierde sprinters echter piekvermogens tot meer dan 1.800 watt.

     

    Om dit wat te kaderen volgend voorbeeld: als een gemiddelde wielertoerist over een rit  een gemiddelde heeft van 180 watt, heeft hij een mooie inspanning geleverd. Bij de toprenners in Gent-Wevelgem heb ik gemiddelde waarden gezien die tot 320 à 340 watt gaan. 

     

    En als we over “normalised power” spreken zijn die waarden nog hoger. “Normalised power” betekent dat de nulpunten wegvallen. Die komen voor als de renners  hun benen stilhouden, bijvoorbeeld wanneer ze bergaf rijden of in de aanloop naar een bocht. Het vermogen dat wegvalt, haalt het gemiddelde naar beneden. Voor de “normalised power” worden die nulpunten niet in rekening gebracht. Zo zien we dan waarden van 380 à 390 watt NP en dat is fenomenaal hoog. Dat kun je je bijna niet voorstellen.

    Gespierde sprinters als Kristoff (hier wint hij in Wevelgem) kunnen piekvermogens duwen tot 1.800 watt.

    Staat er een menselijke limiet op wattages?

    Men weet ongeveer hoeveel watt/kg "menselijk" haalbaar is. Als we spreken over de effectieve wattages zoals in Gent-Wevelgem, spreken we over 320 à 340 watt. Als we kijken naar watt per kilogram bergop, gaat men soms over een half uur 420 watt rijden.

     

    En dan hangt het allemaal af van het gewicht van de renner. Als een renner over een lange beklimming 6 watt/kg kan blijven fietsen, dan is die  zeer goed bezig. Een renner van 60 kg die aan 6 watt/kg kan fietsen, duwt dan 360 watt. Een renner van 70 kg zal voor 6 watt/kg aan 420 watt moeten rijden om dezelfde prestatie te leveren.

     

    Men weet wat haalbaar is. Laat ons zeggen dat absolute toprenners op een lange col (10-20 km) rond de 6 à 6,5 watt/kg ontwikkelen. Op basis daarvan zijn enkele jaren geleden verdachtmakingen gemaakt tegenover renners. Men berekende hoeveel watt renners theoretisch zouden ontwikkeld hebben tijdens een beklimming,  en soms kwam men uit op wattages van meer dan 7 watt/kg. Op basis daarvan werd dan soms gezegd dat het om verdachte, haast bovenmenselijke waarden ging.

     

    Maar het is moeilijk te zeggen wat echt het maximum is. Het hangt ook af van training, talent, inzet… Ik durf daar zelf geen cijfers op te plakken.

     

    Ook de duur van de beklimming speelt een rol. Bijvoorbeeld op de Muur van Hoei in de Waalse Pijl halen de favorieten tussen 8 en 9 watt/kg. Bij een lange klim in een slopende  rit in de Tour komt een renner met 5,8 à 6 watt/kg al een heel eind. Bij Thomas De Gendt in Catalonië zagen we dat hij in de finale van een slopende etappe meer dan een halfuur 400 watt bleef duwen. Dat is toch vrij indrukwekkend.

    Men weet wat haalbaar is. Laat ons zeggen dat absolute toprenners op een lange col (10-20 km) rond de 6 à 6,5 watt/kg ontwikkelen.

    " "

    Thomas De Gendt maakt indruk in Catalonië, hij pakt de bergtrui.

    Wattagemeters geven renners constant feedback

    Het is pas tijdens de laatste jaren dat we  om de oren worden geslagen met wattages. De vermogensmeters zijn pas een vijftal jaar volledig ingeburgerd in het peloton. De vermogensmeter bestaat al wel langer, maar die werd niet algemeen gebruikt. Nu denk ik niet dat er 1 renner is die zonder rijdt. Het is een ideaal hulpmiddel. Een renner kan vandaag perfect zijn trainingen en wedstrijden analyseren en meten waar zijn limieten 
    liggen.

     

    Hij kan bijvoorbeeld zien met welk wattage hij bergop fietst. Hij kent zijn waarden op de verschillende inspanningsdrempels. Hij weet vooraf ook hoeveel watt/kg hij eigenlijk moet kunnen ontwikkelen om mee te kunnen met de beste klimmers. De renners kennen zichzelf ook door en door. Op basis van testen en trainingsgegevens weten ze exact hoeveel watt ze kunnen duwen tijdens een beklimming van een col in de Ronde van Frankrijk, en ze stellen zich daarop in.

     

    Dat is onder andere het verhaal van Chris Froome. Hij weet via zijn wattagemeter exact hoeveel reserve hij eventueel nog heeft, en waar zijn limieten liggen, en hij houdt dat voortdurend in het oog. Maar niet alleen Froome gaat zo te werk, vandaag zijn er zeer veel renners die volgens hetzelfde stramien werken.

    " "

    Chris Froome in de aanval in de Giro 2018.

    Zo’n wattagemeter is voor renners een toestel dat hen continu feedback geeft van welk soort inspanning ze aan het leveren zijn, hoeveel reserve ze nog hebben en of ze iemand die wegrijdt al dan niet moeten proberen te volgen.

     

    Eén anekdote van Thomas De Gendt uit de Tour 2016 geeft dat heel goed weer. Toen Thomas de rit won naar de top van de Mont Ventoux reed hij tijdens de slotklim met 2 andere renners voorop: Serge Pauwels en Daniel Navarro. Met nog een zestal kilometer te gaan fietsten die van hem weg. Toen ik Thomas nadien vroeg  of hij op dat ogenblik een slecht moment had, antwoordde hij: “Neen, ik duwde op dat ogenblik 400 watt, en ik wist dat dat het vermogen was dat ik kon volhouden tot boven. Die andere reden zeker 450 watt en ik heb ze laten rijden, in de overtuiging dat ook zij dit niet zouden kunnen  volhouden.”

     

    Thomas bleef 400 watt fietsen en hij won. Bij latere analyse van zijn wedstrijd zagen we dat hij op de slotklim een vermogen van exact  399 watt had ontwikkeld.

     

    De renners weten dus wat ze aankunnen: halen ze daar de overwinning mee, dan is het mooi. Winnen ze niet, dan weten ze dat ze het beste er hebben uitgehaald en op hun maximale limiet hebben gereden.

    De renners weten perfect wat ze aankunnen: halen ze daar de overwinning mee, dan is het mooi. Winnen ze niet, dan weten ze dat ze het beste er hebben uitgehaald en op hun maximale limiet hebben gereden.

    " "

    Daniel Navarro, Serge Pauwels en Thomas De Gendt op de Ventoux in 2016.

    Uitsmijter: VO2max moet hoog genoeg zijn

    Het vermogen dat renners kunnen trappen, is heel belangrijk. Maar nog en andere fysieke eigenschap speelt een rol: de VO2max. De VO2max is de maximale hoeveelheid zuurstof die kan opgenomen worden in de werkende weefsels bij maximale inspanning. VO2max is belangrijk omdat zuurstof zorgt voor de verbranding van de twee energiebronnen in ons lichaam, nl. de vetten en de suikers. Hoe meer zuurstof er kan  getransporteerd worden naar de werkende weefsels (spieren), hoe meer energie er kan vrijgemaakt worden.

     

    Die VO2max geeft eigenlijk vooral een potentieel weer dat een renner heeft. Iemand met een hogere VO2max heeft in principe een hoger potentieel dan iemand met een lagere VO2max. Je kan van hem verwachten dat hij een hoger vermogen kan ontwikkelen. Maar je kunt VO2max niet absoluut zien: iemand met de hoogste VO2max is niet noodzakelijk de beste renner of heeft de meeste kans om de Tour te winnen. Omdat er heel wat andere factoren een rol spelen.

    Je kunt VO2max niet absoluut zien: iemand met de hoogste VO2max is niet noodzakelijk de beste renner of heeft de meeste kans om de Tour te winnen. Omdat er heel wat andere factoren een rol spelen.

    Die VO2max is genetisch bepaald en relatief beperkt trainbaar. De meting gebeurt tijdens een inspanningsproef in een laboratorium. Eigenlijk kan je daar niets mee onderweg in tegenstelling tot die vermogensmeters. Hiermee kan een renner  zijn inspanningen volgen en kan hij bepaalde conclusies trekken. Met de VO2max kan je  weinig of niets aanvangen tijdens de inspanning zelf.

     
    We hebben al heel wat renners getest en de correlatie tussen de VO2max en de eigenlijke prestatie niet altijd even groot. Net omdat bij het leveren van prestaties in een wedstrijd heel veel andere factoren een rol spelen: je team, je inzet, je koersinzicht, de aard van het parcours. In een vlakke rit waarbij je als sprinter in de wielen kan zitten, gaat je VO2max veel minder impact hebben dan bij een renner die moet presteren in klimwedstrijden.


    Natuurlijk is er een ondergrens. Als je een lage VO2max hebt, ga je het als nooit maken in een duursport. Maar eens je in een bepaalde zone komt – dat is een stukje boven de 70 ml/kg/min – dan heb ik de ervaring dat het niet meer zo’n grote rol speelt of je nu 76, 78 of 80 ml/kg/min hebt. Daar gaat het verschil in prestatie en uiteindelijk in palmares niet gemaakt worden.

    Paul Van Den Bosch

    Wat is watt? Korte samenvatting door Maarten Vangramberen